Lijst voor elk van de onderstaande onderdelen op of je hiervoor minder sterk, sterk of zeer sterk bent.
Vraag vervolgens je medewerkers of baas hetzelfde te doen en organiseer een gesprek om te leren uit de verschilpunten in visie.

aandachtsgebied + voorbeelden

* de visie verduidelijken
– chef legt uit hoe de afdeling past in het geheel van het bedrijf
– herschikt de prioriteiten van de medewerkers volgens de (nieuwe) bedrijfsplannen
* het goede voorbeeld geven
– het is aan de chef merkbaar welke de prioriteiten van het bedrijf zijn
– chef laat een klant voorgaan boven interne problemen
– chef verontschuldigt zich wanneer hij een fout heeft begaan
– chef rookt niet waar het niet is toegestaan
– chef reageert professioneel op telefoons
* verwachtingen verduidelijken
– maakt in elk werkoverleg duidelijk wat van iedereen verwacht wordt
– de streefcijfers voor de verkoop worden maandelijks besproken
– chef legt uit wat kostenbewustzijn concreet betekent
* motiveren
– chef kan een sfeer brengen in de groep
– vertelt levendig en enthousiast over de plannen
– is ook ‘s avonds bereikbaar voor vragen
– voelt de polsslag van het team goed aan
– weet ieder op zijn bijzondere talenten aan te spreken
* verdedigt de groep
– schermt zijn groep af bij kritiek van buiten
– brengt wat leeft in de groep stevig naar buiten
– spreekt naar klanten met waardering over het team
* structuur brengen
– maakt realistische plannen
– kijkt elke dag de planning na
– planningen worden met de groep besproken
– van elk project moet een projectplan gemaakt worden
– denkt vaak na over de toekomst
– plannen zijn concreet voor de volgende weken en bestaan ook voor de lange termijn
* participatieve instelling
– raadpleegt de teamleden bij belangrijke beslissingen
– maakt teamleden niet belachelijk
– wie een idee oppert wordt niet afgeschoten
– aanvaardt dat anderen niet hetzelfde denken
* omgaan met problemen
– gaat problemen niet uit de weg
– raakt niet in paniek bij problemen
– een probleem wordt goed geanalyseerd
– de eerste oplossing wordt niet meteen gekozen
– alle alternatieven worden gewikt en gewogen
* open en eerlijk
– chef heeft geen lieverdjes
– is even streng voor zichzelf als voor het team
– wanneer het resultaat niet wordt gehaald wegens tegenslag kan de chef die eerlijk onderkennen
– heeft niets in de mouw wanneer hij je iets vraagt
– chef heeft geen geheime (politieke) agenda
* wil resultaten bereiken
– staat stil bij bereikte resultaten
– tussentijdse resultaten krijgen ook aandacht
– vraagt voortdurend ‘gaan we er komen ?’
– stelt haalbare doelen voorop
– criteria om prestaties op te volgen zijn duidelijk en worden aanvaard
– prestaties worden openbaar gemaakt
* ontwikkelingsgericht
– kent de ontwikkelingsbehoeften van het team
– vraagt geregeld individuen naar hun tekorten
– doet voorstellen voor opleiding
– blijft zichzelf permanent vormen
– gebruikt werkoverleg als opleidingsinstrument
– opleiding is geen verloren tijd
* delegeren
– weet goed te timen wanneer een medewerker rijp is voor nieuwe verantwoordelijkheden
– legt duidelijk uit wat gedelegeerd is en waarom
– communiceert de nieuwe delegaties aan de medewerkers
– helpt de medewerkers in het begin
– zorgt voor een goede voorbereiding van de delegatie
* feedback geven
– kan precies aangeven wat goed en niet goed loopt in het team
– als chef iets negatiefs te melden heeft komt dit niet bedreigend over
– durft ook de positieve dingen zeggen
– maakt feedback’s altijd concreet
– feedback is opbouwend
– geeft zijn mening over de samenwerking binnen het team even als over de prestaties van individuen
– met feedback van buiten de afdeling wordt op mature wijze omgegaan
– feedback doet niemand erg emotioneel worden
* loopbaanontwikkeling
– toets loopbaanmogelijkheden af bij de teamleden
– houdt anderen geregeld een spiegel voor
– moedigt mensen aan die meer in hun mars hebben
– laat ‘hoogmoedigen’ niet in hun waan
– geeft aan hoe concreet kan worden gewerkt aan een loopbaanplan
– weet mensen goed op te vangen die in de loopbaancrisis zitten
– past gelijke kansenbeleid ook daadwerkelijk toe
* samenwerking
– stimuleert het informele contact in het team
– stelt zich diplomatisch op
– voelt goed aan hoe de relaties zijn met klanten en leveranciers
– houdt altijd het hoger belang van het bedrijf als geheel voor ogen
– kwetst mensen niet doelbewust en laat dit niet toe
– bestrijdt coalitievorming en ‘politiek’
– brengt geregeld de samenwerking ter sprake
*vernieuwen
– zoekt naar verbeteringen in processen
– onderzoekt hoe de kwaliteit kan verbeteren
– verbeteringsvoorstellen kunnen bij hem/haar op steun rekenen
– de nieuwe ideeën komen niet van de baas alleen
* open
– durft een experiment wagen
– doet inspanning om nieuwe methoden in te voeren
– wie ‘anders’ is krijgt ook een plaats in het team
– een mislukt experiment wordt niet afgeschoten
– laat fouten bewust toe als leerervaring
– ‘vroeger was het beter’ is niet de leuze van het team
* communicatie
– houdt rekening met weerstanden bij medewerkers
– deelt de veranderingen mee
– legt uit waarom de verandering nodig was/is
– vraagt meningen en gevoelens bij een voorgestelde verandering
– blijft de toepassing van de verandering goed opvolgen
* luisteren
– houdt rekening met de meningen van anderen
– kan angsten en weerstanden bespreekbaar maken
– praat relatief weinig
– vraagt door wanneer iemand een bezwaar heeft
_____

bron: Ondernemen met mensen in organisaties – Standaard uitgeverij – p 174-175

wijsondernemen.be

Erik